Polen: Fysische geografie
(officieel: Rzeczpospolita Polska = Poolse republiek) ,republiek in Centraal-Europa, 312 684 vierkante kilometer2 (1998 reëel), met 38 625 478 (2002 schatting) inw. (124 personen
per vierkante kilometer (2002 schatting); hoofdstad: Warschau (Warszawa). Munteenheid is de zloty, onderverdeeld in 100 groszy. Nationale feestdagen zijn 3 mei, de dag waarop in 1791 de eerste grondwet werd
aangenomen, en 11 november (stichting van het onafhankelijke Polen in 1918 ).
1. Fysische geografie
1.1 Landschap
Polen is een voornamelijk vlak laagland; 54% heeft een hoogte beneden 150 m, 37% een hoogte van 150 tot 300 m. Gebergten komen slechts aan de zuidgrenzen voor. Qua reliëf kan Polen in drie ongeveer oost-west
verlopende gordels worden verdeeld, van noord naar zuid:
a. Langs de Oostzee strekken de kustvlakten zich uit; in de laagvlakte van de Wisla ligt het laagste punt van het land: -1,8 m. Hierop sluiten aan de iets hoger gelegen (tot ruim 300 m) Pommerse en Mazoerische Meervlakten.
b. De weer wat lager gelegen centrale vlakten en de oerstroomdalen bestaande uit het Silezische Bekken, de Kujawy, de Grootpoolse Meervlakte, het laagland van Mazowsze en van Podlachië
c. Ten zuiden van de centrale vlakten strekt zich een aantal hooggelegen plateaus uit. Hiervan is de Kleinpoolse Hoogvlakte geleed in de Góry Swietokrzyskie (Heiligekruisbergen, tot 611 m hoog), de plateaus van Silezië en
Kraków-Czestochowa en de synclinale van de Nida. Het plateau van Lublin strekt zich op 200-300 m hoogte uit tussen Wisla en Bug. De Karpaten bestaan uit middelgebergten en hooggelegen plateaus van alpine oorsprong,
doorsneden door de bovenlopen van de Odra en de Wisla. De Poolse Karpaten zijn een onderdeel van de West-Karpaten, afgezien van de Bieszczady (Woudkarpaten). Het hoogste punt van Polen (Rysy, 2499 m) ligt in het
Tatramassief. De noordelijkste keten is de kalkachtige Pieniny. Verder westelijk, van de Karpaten gescheiden door de Moravische Poort, liggen de Sudeten, een granietmassief van Variscische oorsprong. Het hoogste deel is
het Reuzengebergte (Karkonosze).
De bodem bestaat voor ca. 55% uit podzolbodems. Ten noorden van de lijn Lublin-Katowice-Wroclaw wordt dit bodemtype afgewisseld door alluviale bodems langs de waterlopen, kleine oppervlakten zeer vruchtbare
zwarte veengronden en bruine bosbodems. Dit laatste bodemtype (in totaal 20% van de oppervlakte) komt ook ten zuiden van bovengenoemde lijn voor, waar het zich op löss heeft ontwikkeld. Naast de bruine bodem
komen op de plateaus van Zuid-Polen nog rendzina's en tsjernozjoms (zwarte aarden) voor. Van de bodems bestaat 8% uit gebergtebodems, vnl. leem en zand.
1.2 Rivieren en meren
De meren bedekken ca. 1% van de oppervlakte van Polen. 9266 meren hebben een oppervlakte van meer dan 1 ha; hun totale oppervlakte bedraagt bijna 3200 km2. De grootste zijn het Sniardwymeer (109,7 km2) en het
Mamrymeer (102,3 km2), beide in Mazoerië De meeste meren zijn postglaciaal van oorsprong en komen voor op de Pommerse, Mazoerische en Grootpoolse Meervlakten, alsook in de Kujawy. De rivieren wateren vrijwel
alle af op de Oostzee. De stroomgebieden van de twee hoofdrivieren, de in zuidoost-noordwestelijke richting stromende Wisla (Weichsel) en Odra (Oder), beslaan 56% resp. 34% van de oppervlakte van Polen; 9% valt toe
aan de stroomgebieden van de kustrivieren, die direct in de Oostzee stromen. De belangrijkste zijrivier van de Wisla is de Bug, die van de Odra de Warta. Door het regenregime varieert de waterhoogte sterk. De rivierstelsels
van Wisla en Odra worden met elkaar verbonden door het Bydgoszczkanaal tussen de Brda, zijrivier van de Wisla, en de Notec, zijrivier van de Warta.
1.3 Klimaat
Het klimaat staat afwisselend onder invloed van Atlantische, oceanische en Aziatische, continentale luchtmassa's. Westenwinden overwegen over oostenwinden. De Atlantische invloed neemt naar het oosten toe af;
dientengevolge valt er in het westen meer neerslag dan in het oosten. De neerslag bedraagt in de Karpaten en de Sudeten meer dan 800 mm per jaar; op de plateaus en meervlakten 600 tot 800 mm per jaar en in Centraal-
Polen 450 mm. In de zomer (juni, juli, augustus) stijgt de temperatuur tot boven 15 °C; in de winter (december, januari, februari) daalt het kwik tot ver onder 0 °C. De laagste temperatuur werd in de middelgebergten
gemeten: -42 °C; de hoogste in Neder-Silezië 40,2 °C). De gemiddelde julitemperatuur bedraagt 16 tot 19 °C; de gemiddelde januaritemperatuur varieert regionaal van -1 °C tot -6 °C. De duur van de vegetatieperiode (het
aantal dagen met een gemiddelde temperatuur van boven 5 °C) varieert van 190 dagen in het noordoosten en de zuidelijke berggebieden tot 230 dagen in het westen en op de plateaus in het zuiden.
1.4 Plantengroei
De huidige vegetatie dateert vrijwel geheel van na de laatste ijstijd, met uitzondering van die van de Karpaten en het aangrenzende zuiden, waar de begroeiing nog uit het Tertiair stamt. In moerasgebieden en in de bergen
treft men nog overblijfselen van de toendraflora uit de tussenijstijden aan. Door ontginningen sinds de 13de eeuw en door de beide wereldoorlogen ging veel bos verloren. Er resteert nog bos op ca. 27% van het
grondgebied. Om een deel van de wouden in zijn natuurlijke staat te behouden werd een groot aantal nationale parken en reservaten gesticht. Het minst bosrijke is województwo (prov.) Lódz het meest bosrijk zijn Zielona
Góra Koszalin en Rzeszów. Van de staatsbossen is ca. 80% naaldwoud (vnl. grove den en lariks); het overige gedeelte is loofwoud (vnl. eik, beuk en berk).
1.5 Dierenwereld
De dierenwereld is Midden-Europees van karakter met een aantal noordelijke elementen als de eland, terwijl Oost-Europese elementen als de vlaktebewonende siezel en soeslik hier hun westgrens bereiken. Het woud van
Bialowieza op de grens van Polen en Wit-Rusland is wereldberoemd wegens de er vrij levende wisenten. De uitgestrekte Mazoerische meren zijn zeer belangrijk als broed- en pleisterplaats van waterwild (groot aantal
broedende knobbelzwanen; kraanvogel en zwarte ooievaar zijn eveneens broedvogel). In het Tatragebergte op de grens met Tsjechoslowakije ligt een zich over beide landen uitstrekkend nationaal park met o.a. het grootst
bekende gemzenras, een aantal bruine beren, wolven, lynxen en wilde katten; ook de alpenmarmot komt hier voor.